Geschiedenis
van "B" en MOTOBI
Giuseppe
Benelli
Op aanraden van moeder Benelli startten de zes broers in 1911 het
beroemde familiebedrijf in Pesaro. Ingenieurs Giuseppe en
Giovanni waren de technici; de anderen zorgden voor de
financiën, commercie en productie.
Giuseppe was de oudste, had revolutionaire ideeën en een
eigenzinnig karakter. Dat was misschien wel de reden waarom het
in 1949 spaak liep in de familie. Gesteund door zijn zoons
besloot hij voor zichzelf te beginnen. Zoon Luigi had inmiddels
patent aangevraagd op een frame dat uit kokerbalken bestond
(vanaf 1955 werd dit vervangen door geperst plaatstaal). Dit
lichte frame was bijzonder stijf van constructie en
kostenbesparend te produceren. Vader Giuseppe had een bijzonder
motortje op de tekentafel staan en deze combinatie vormde het
eerste product van de nieuwe firma: F.A.M. (Fabbrica Auto
Motoveicoli) met merknaam MOTO "B" aan de Strada
Adriatica te Pesaro.
Italianen spreken de B als Bi uit en er werd besloten vanaf
november 1954 de naam te wijzigen in MOTOBI.
B 98
Er was zo vlak na de 2e W.O. een grote behoefte aan lichte,
goedkope vervoermiddelen. De "B 98" was direct een
schot in de roos. Op de voorjaars show in Milaan (april 1950)
trok het enorme belangstelling. Het motorfietsje had een
ruggegraat frame met daaronder een opvallend motortje.
Zeer bijzonder was het tweetakt motortje: Giuseppe had de krukas
hol gemaakt en uit diverse gaten werd de mengsmering naar alle
belangrijke hoeken geperst. Dit zou het 98 cc tellende motortje
een hoger rendement moeten geven, 't zou zuiniger moeten lopen en
kunnen volstaan met minder olie door de benzine. De 3,2 pk in
combinatie met een laag eigengewicht zorgde in die tijd voor een
hoge topsnelheid van ruim 70 km/uur.
Uit dit motorfietsje werd een 115 cc model en een 125 cc model
ontwikkeld. Deze laatste was iets forser door een grotere tank en
een iets langere voorvork. Het motor had een dubbele aanzuiging,
deels via de krukas en deels via de zuiger.
Dubbeldooier:
Spring Lasting, 200 cc
Het eerste echte ei van
Benelli was een dubbeldooier. Bij de B 98 had het motorblok nog
ronde vormen, bij de in januari 1952 geïntroduceerde nieuwe
2-cilinder had het motorblok voor het eerst de zo kenmerkende ei-vorm.
De achter vering had twee telescopische schokbrekers gekregen en
de voorvork werd nu hydraulisch gedempt. Uniek was weer het
vernuftige krukas gestuurde inlaat systeem. Helaas werkte dit
ingenieuze systeem niet zoals verwacht werd op de twee-cilinder
en werd besloten in 1953 terug te gaan naar de conventionele
zuiger gestuurde inlaat.
Technisch gezien is het motorblok een samenstelling van twee B 98
motorblokken. Uiterlijk niet meer in de ster vorm, maar nu geheel
in stijl met de rest van het ei-model. De beide drijfstangen
zitten door deze samenstelling op een enorm lange krukas. Om praktische redenen zijn de cilinders en de cilinderkoppen
identiek en kunnen zowel links als rechts gebruikt worden. Het
gevolg is natuurlijk wel dat het een enorm breed blok is
geworden.
De 2-takt motor, met een boring x slag van 48 x 54 mm, levert 11
pk bij 6000 toeren. De compressie bedraagt 1 : 6 en de berijder
moet een topsnelheid van 110 km/uur kunnen halen. De fabriek
geeft een verbruik op van 1 : 35 km, zodat de actieradius ligt op
ongeveer 560 km.
Het top model sloeg in als een bom. De voor die tijd zeer moderne
twee-cilinder gaf de berijder de mogelijkheid een pittige
kruissnelheid aan te houden. Dit gebeurde ook nog op zeer
comfortabele wijze. Constructeur Giuseppe had motorblok en
uitlaat geheel in rubbers opgehangen. Gevolg is nauwelijks
trillingen bij hoge toeren. Om de hoge topsnelheid abrupt te
kunnen beëindigen plaatste hij nog even een paar flinke remmen.
De halve naaf voorrem heeft een diameter van 19,5 cm en een
breedte van 3 cm. Als je dan nog te hard de berg af gaat zorgen
de windhappertjes voor extra koeling van de remvoering. Achter
eveneens dezelfde fors bemeten rem, echter zonder de
luchthappers.
Het
kracht-ei
In 1956 kwam Giuseppe weer met een revolutionair ontwerp: een
4-takt die er uitzag als een 2-takt! Het ei-model bleef gehandhaafd en alleen aan de plaats van de
bougie en het grote olie carter kon je zien dat het hier om een
4-takt ging.
De 125 cc "Imperiale" en de 175 cc "Catria"
zagen er van buiten nagenoeg identiek uit. De verschillen zaten
in de boring van de cilinder, carburateur, remmen en wielmaat
(18" tegenover 19").
MOTOBI was zo overtuigd van de kwaliteit van z'n product, dat de
fabriek bij de introductie van dit nieuwe type 50.000 Lire
uitloofde voor degene die kans zag de motor kapot te krijgen. Er
mocht ruw mee omgesprongen worden, maar expres mis schakelen of
zonder olie rijden was natuurlijk niet toegestaan. Deze stunt
heeft de fabriek niets gekost!
Het krachtei
sloeg goed aan bij het sportieve publiek. Zowel in Italië
als daarbuiten waardeerde men vooral de "Catria".
Deze motor levert standaard 8,5 pk bij 6800 toeren/min; het droge
gewicht is 89 kg en dat geeft een haalbare topsnelheid van 105
km/uur.
In 1957 introduceerde de F.A.M. uitbreiding van het
"Catria" programma. De Sport en de Supersport zagen het
levenslicht. De sport levert nu 12 pk/8500 toeren en de SS weet
15 pk/10500 toeren/min er uit te persen. Daarnaast waren er nog
diverse fabrieksracers voor de vele soorten weg- en circuitraces.
De prestaties en het gemakkelijke opvoeren van de standaardmotor
(motor blijft in het frame zitten bij het wisselen van de
snellere nokkenas) zorgden voor grote populariteit bij de
Italiaanse jeugd. MOTOBI dealers deden goede zaken in opvoersets.
De verschillende soorten nokkenassen en grotere carburateurs
lagen klaar bij elke dealer. Wilde je nog verder gaan, dan moest
het besteld worden en kon je andere cilinderkoppen, recht
vertande primaire overbrengingen, gelagerde tuimelaars e.d.
kopen, maar dan ging je aan accescoires al boven de nieuwprijs
van je motor.
Race
successen
In de jaren vijftig betekende overwinningen in races tevens een
flinke omzetverhoging van producten van de fabrikant. MOTOBI
wilde zijn naam als sportieve motor hoog houden en schreef in
voor de Giro d'Italia met een 125 cc tweetakt: de Ardizio Sport
Het resultaat was zeer mager, de concurrentie was te groot en de
directie besloot alle energie te stoppen in een hogere klasse.
De B 200 werd opgeboord naar 54 mm en het nieuwe wapen werd de
Spring Lasting 250 cc Gran Sport. Hiermee won Silvano Rinaldi de
Milaan-Taranto race in 1955.
Vanaf 1957 echter werd alle aandacht gericht op het 4-takt
krachtei. Direct al een etappe overwinning in zijn klasse van de
Giro d'Italië zorgde voor flinke bekendheid. Op Monza dreef de
Catria de Bianchi's en Guzzi's in datzelfde jaar in het nauw en
in 1959 werd Ambrosi kampioen van Italië in de 175 cc klasse. De
komende 12 jaar eiste MOTOBI deze titel nog 9x op.
Het 175 cc motorblok werd nog verder opgeboord tot 203 cc en de
Catria werd ook een geliefde racemotor in België, Frankrijk en
de VS. De tuners bereikten de limiet eind jaren 60 met een tot
250 cc opgeboord blok van 33 pk.
Familie
hereniging
Giuseppe Benelli stierf in 1957. Zijn
zoons namen de leiding over. Echt nieuwe ideeën bleven uit; de
enige technische wijziging was het verhuizen van de kwetsbare
kickstarter (op dezelfde as als de schakelpedaal) naar de andere
kant ('61). Het concern raakte in financiële problemen en
besloten werd in 1961 om weer terug te keren tot de aloude
familie Benelli. Zowel de naam MOTOBI als
BENELLI prijkte sindsdien op de motoren, scooters en
bromfietsen uit de Motobi stal. Ook de latere Benelli modellen
werden onder beide namen verkocht, omdat een deel van de kopers
altijd nog meer vertrouwen had in Motobi. Vaak was het luxere
model voorzien van de naam MotoBi..
Benelli vergrootte de straatversie nog tot 200 en 250 cc en nam
in 1974 het ei uit de productie.